TOESPRAAK TER GELEGENHEID VAN DE VOORDRACHT OVER “HET SCHEPENZEGEL” DOOR PROF .DR. E. VAN ERMEN IN HET KADER VAN 350 JAAR SCHEPENZEGEL VAN BOOM

Terug naar overzicht jaarboek 1995-1996
(Foto: gemeentelijk fotoarchief Boom)

door Dhr. P. MARNEF (Burgemeester Boom)

Geachte Dames en Heren,
Beste vrienden van “Ten Boome”,
Geachte Professor,

Ik hoop dat u het mij niet zal kwalijk nemen dat ik enkele minuten van uw kostbare tijd in beslag neem voor een kort inleidend woordje tot deze vergadering. Ik zal u trouwens onmiddellijk hierna tot mijn oprechte spijt dienen te verlaten om de Minister van Justitie te
gaan verwelkomen, die door de organisatie CEFI uitgenodigd is om deze avond te komen spreken.

Gelieve mij daarom te willen verontschuldigen voor mijn noodgedwongen korte passage. De herdenking van het historisch feit dat hier deze avond zal toegelicht worden en in de kleine, maar bijzonder interessante tentoonstelling in deze zaal aanschouwelijk wordt in herinnering gebracht, is echter te bijzonder opdat de Burgemeester van de gemeente Boom hieraan geen aandacht zou schenken.

350 jaar geleden, in 1645 dus, werd aan de toenmalige bewoners van Boom voor de eerste maal in hun geschiedenis een zekere vorm van zelfbestuur of gemeentelijke autonomie toegekend. Tot dan toe was Boom een dorp, een gehucht, dat onderdeel was van grotere of
andere bestuurlijke omschrijvingen. Tussen 1285 en 1645 was Boom, om het in actuele termen te stellen, een soort deelgemeente van de fusiegemeente Groot-Rumst.

Men moet dat natuurlijk in zijn eigen feodale tijdskader
beschouwen; elke vergelijking met de hedendaagse structuren zal mank lopen. Ik ben echter geen historicus. Over de historische omstandigheden zal u zo dadelijk op deskundige wijze onderricht worden. De tentoonstelling en de korte begeleidende tekst zijn voor mij een revelatie en zullen dat zonder twijfel ook zijn voor de, naar ik hoop, talrijke Bomenaars die hier zullen komen naar kijken.

Het is nog te weinig geweten hoe verwoestend de godsdienstoorlogen van de 16de en de 17de eeuw zijn geweest voor onze gewesten. Ook Boom ontsnapte hier niet aan. Onze gemeente begon nog maar pas wat aan belang te winnen door de aanwezigheid van het kanaal Brussel-Rupel of het werd bijna volledig gesloopt om bouwmaterialen te leveren voor een grote militaire schans op Klein-Willebroek.

Ik lees in de begeleidende tekst dat van 1577
tot na 1610 Boom een spookdorp was, waar de nog resterende inwoners in met wat dakpannen afgeschermde kelders leefden, dat er talrijke wolven verbleven in de toen nog talrijke bossen in onze gemeente en dat deze dieren regelmatig huilend door de Boomse
straten trokken. Ondertussen werd er bijna onafgebroken gestreden aan de overkant, op Klein-Willebroek, voor de controle op de toegang tot het kanaal. Het zijn hallucinerende beelden.

In 1645 was onze gemeenschap echter terug in volle bloei en was het bevolkingsaantal voldoende gestegen, 650 naar verluidt, opdat zelfbestuur in vooral gerechtelijke zaken kon toegekend worden door de Heer van Rumst. Boom kreeg zeven schepenen, dat zijn er 2 meer dan nu, en een eigen schepenzegel. Gelukkig hebben onze schepenen van vandaag niet meer dezelfde bevoegdheden als toen, want dan zou menig Bomenaar het risico lopen om, in het kader van de lokale ordehandhaving en de strijd tegen de fiscale fraude, openbaar gegeseld te worden. Ze moesten in 1645 waarschijnlijk
geen rekening houden met een kritisch electoraat. Het is tussen haakjes ook zeer vreemd om te moeten vernemen dat in die tijd het gebied van een lokale gemeenschap, met alles erop en eraan, door eenieder die het kon betalen kon gekocht worden. Dat gebeurde ook met Boom enkele malen.

De eerste Heer van Boom, meneer Joris Bosschaert, was een buitenlander die het tot hoge ambtenaar had gebracht en
zijn status wou verhogen door zich een stuk grondbezit aan te schaffen. Maar hierover zullen de volgende spreker en de leden van onze Geschiedkundige Studiekring “”Ten Boome”” u verder met veel meer deskundigheid kunnen onderhouden. Dan rest mij nog de eer en het genoegen om de volgende spreker aan u voor te stellen.
Professor Doctor Eduard Van Ermen is docent aan het departement geschiedenis van de K.U. Leuven en werd voor zijn onderzoekswerk meermaals gelauwerd. Zijn onderzoeksterreinen zijn de middeleeuwse maatschappij, met nadruk op de instellingen van de feodaliteit, maar tevens de hulpwetenschappen, zoals de heraldiek, de paleografie, de genealogie, de chronologie en de sigillografie.

Vooral in het kader van zijn onderzoek over de feodaal-heerlijke verhoudingen en de territoriale patronen in het middeleeuwse hertogdom Brabant specialiseerde hij zich in de paleografie van archivalische en niet-archivalische bronnen van de 12de tot de 19de eeuw in fondsen zoals het Leenhof van Brabant en de Rekenkamers, de Leuvense schepenregisters en diverse abdijbrieven. Hij is bovendien auteur van verschillende historische publicaties.

Door de Geschiedkundige studiegroep “”Ten Boome”” werd Professor Van Ermen vanavond uitgenodigd om voor u te spreken over het middeleeuwse schepenzegel. Ik wens echter dit
spreekgestoelte niet te verlaten zonder onze studiegroep van harte te feliciteren met hun actieve werking in het algemeen en met het lovenswaardige initiatief van deze avond in het bijzonder.

Ik dank u voor uw aandacht.