DE GILDEN

Terug naar overzicht jaarboek 1996-1997
(Foto: Wikipedia, Gilde van de Grote Kruisboog Mechelen)

door E.H. Sel (bewerkt door Marc Verlinden)1Sel. “Proeve van Historische Mengelingen over `t Land van Rumst en in het bijzonder over de Heerlijkheid van Boom”. Leuven, 1873. Blz. 147 en volgenden.

In de vroegste tijden wanneer de leenheeren bijna onophoudelijk in oorlog waren, maakten de leenmannen geheel hun krijgsmacht uit. Deze waren tot dien dienst verplicht uit kracht aan de hulde, die zij aan hun meester verplicht waren.

Doch, benevens die gedwongen soldaten, waren er, op veel plaatsen, gildebroeders, die den kruisboog of den handboog, voor wapen droegen, en desnoods, als vrijwilligers, met den heer ten strijde trokken. Buiten oorlogstijd vormden zij een soort van burgerwacht, gelast om de algemeene veiligheid en de rust te bewaren.

Later, op ’t einde van de 15de eeuw, toen de vorsten bezoldigde troepen tot hun dienst beginnen te nemen, verloren de schuttersgilden allengskens2langzamerhand  het oorspronkelijk doel, waartoe zij tot stand gekomen waren; maar zij bleven toch met hun verworven voorrechten bestaan, alleenlijk om zich op wip-en doelschietingen te vermaken, en met uitgelegde gelden, op gezette dagen, eens vroolijk te teren.

Zulk een genootschap bestond al vroeg te Rumst: inderdaad, tijdens de 15de en de 16de eeuw, waren de volksfeesten, gekend onder de naam van landjuweelen, op de dorpen in vollen gang: dit waren als
zoveel als nationale prijsschietingen, die de gilden van verschillende plaatsen zich onderling gaven. Op zulk een landjuweel, dat te Merchtem, den tweeden sinksendag van het jaar 1549, geopend werd, waren de kampende gilden zoo talrijk, dat de schieting acht dagen duurde. Nu, de schutters van Rumst behaalden er den eersten prijs, en daar het de gewoonte was dat de overwinnaars de medekampende gilden, tegen het volgend jaar, op een schuttersfeest uitnoodigden, zoo werd er in 1550 een landjuweel gehouden te Rumst, waar ditmaal de hoogste prijs gewonnen werd
door de gilde van Meerhout(die prijs bestond doorgaans uit vijf zilveren tellooren).

Dergelijke genootschappen bestonden er ook twee te Boom, namelijk de oude en de jonge gilde. In welk jaar zij beiden tot stand gekomen zijn is tot heden tot nog toe onbekend. Wij zijn bijna zeker dal de charters(of kaarten, gelijk men ze noemde)waarbij de gilden van Boom door de Oppergilde van Leuven, wettig zijn ingericht geworden, nog bestaan, ’t is onze schuld niet dat wij die niet konden bekomen
 
Evenwel mag men met zekerheid zeggen dat de oude bestaan heeft vóór de jonge, dit blijkt immers genoeg uit de benaming van oud en jong. Overigens is het nog zeker dat zij alle twee, ten jare 1629, reeds bestonden. Inderdaad, de oudste der drie registers toebehoorend tot de oude gilde, en ons door Mr. Frans Rens ter hand gesteld, begint met de jaarrekening van 1629, en aangezien er in dienzelfden register geen gewag gemaakt wordt, noch van
de instelling, noch van het reglement der oude gilde, zoo mag men vermoeden dat dit genootschap vóór 1629 bestaan heeft, en dat oude registers het oorspronkelijk reglement en vroegere rekeningen bevattend, verloren geraakt zijn.

Wat nu de jonge gilde betreft, zij moet insgelijks voor dit tijdstip in wezen geweest zijn, vermits gemelde rekening(1629) spreekt van den ouden handboog en dat men niet noodig had dit bijvoeglijk naamwoord te gebruiken, indien de jonge niet bestaan had. Rekeninghe, bewijs ende religua die midts dezen is doende Gillis Selderslagh als deken geweest hebbende van edelen ouden hantboghe van S.Sebastiaan inde prochie van Onser-Lieve-Vrouwen namloosen Boom …inden jare sesthienhondert ende neghenentwintich.

Het oudste document dat wij bezitten over de jonge gilde, dagteekent slechts van 1685, en is onderteekend als volgt:

Gilliam Spillemaeckers hooftman;Andries Vandenbril coninck;Adriaen Van Camp deken;Jas-per Vandenberghe alfferus van de jonge gilde; Peeter Maes, Andries Spillemaeckers, Jan Coeckelbergh, Anthony Somers, Michiel Somers, Gillis Van
Put, Gillis Van Reeth, allen gemeyne gillebroeders.

In de dorpen bestond oudstijds het gebruik den vogel te schieten op een lange speer, die uit den toren of door het dak der kerk uitgestoken was. Dit heette men den papegaai schieten. En ’t is wel mogelijk, dat dit gebruik of liever misbruik, hier ook bestaan heeft; want in de rekening van 1629 treft men o.a. deze aantekening aan: betaelt aen Elisabeth Lemmens datter vertert is dat de gilde haeren papegaey geschoeten heeft 10 guld 5 st. noch betaelt aen Geert Van Reeth voer een half thon bier als wij den papegaey schoeten, 4 guld. 2 st.

Dit misbruik moest in 1721, op vele parochiën nog bestaan; want dit
jaar hebben de landdekens van het aartsbisdom van Mechelen een smeekschrift aan het hof van Brabant ingediend, ten einde de afschaffing ervan te bekomen, en den 21 oktober 1721 verscheen een decreet van den soevereinen raad, waardoor soortgelijke oefeningen voortaan streng verboden werden. Doch wij haasten ons te zeggen dat, ingeval dergelijke gewoonte ook te Boom zou bestaan hebben, zij daar echter lang vóór 1721 buiten gebruik gevallen is: immers de rekening van 1633 meldt dat in dit jaar een schietplein in voege gekomen is, op zeker stuk land. Dit land strekte zich uit van aan de huidige groote markt, tot aan de middelbare school, langsheen de kerkstraat en de hospitaalstraat van de kerk. Men leest daar: betaelt aan cant te graven op kerckenvelt om te maken schutters hoof, daar voor 3 guld. 10 stuyvers; noch betaalt aan een paar spoeren voer den pastoor omdat hij consent3toestemming droech van schutters hoof op velt te maecken 1 guld. 4 st.

Die plaats, aldus met kanten omzet, heeft langen tijd voor de wipschieting gediend, zonder dat daar ooit een bestendige wip gestaan heeft, want tot in 1686 wordt er jaarlijks een uitgave in rekening gebracht “voer het graeven van den put ende stellen van den boom om den voeghel te schieten. ’t Is slechts in 1687 geweest, wanneer het schuttershof overgebracht geworden was naar een oud uitgebakken gelaag, genaamd de Elzen (thans het achterste gedeelte van den hof van Onze-Lieve-Vrouw presentatie), dat een
vaste wip tot stand gekomen is, en dit op de gemeene kosten van de oude en jonge gilde.

1687.-Betaelt aan dekens en de hooftman van de jonge gilde, betaelende voor het stellen ende maecken van de wip, dus hier de helf 25 guld.

1779: Betaelt aan Jan Baptist Pauwels hooftman van de jonge gilde de somme van 39 guldens voor de hellicht4de helft van de nief wip; item 17 stuivers aen Francis Delaet voor de wip naer de helsen te voeren.
(registers der oude gilde)

Op 12 juni 1685, werd voor den notaris Ceulemans, binnen de vrijheid van Rumst verblijvende, een act gepasseerd, waardoor zekere Willem Spillemaeckers, die de eigenaar was van de elzen, aan de jonge gilde de eeuwigdurende toelating gaf om het schuttershof aldaar te vestigen, op last van de gildebroeders, na zijn afsterven, jaarlijks een mis van requiem zouden laten zingen voor hem en zijn
huisvrouw Anna Hallemans.

In dezen akt werd ook besproken dat de oude gilde dezelfde rechten genieten kon, indien zij zich met de jonge wilde verstaan om gezamenlijk de lasten te dragen. Ongetwijfeld is deze schikking aanvaard geworden, vermits de oude gilde sedert toen tot over vijftig jaar(1823)in de onkosten gekomen is, die voor het maken of onderhouden der wip en voor het zingen van het jaargetijde te doen waren.

Het schuttershof dan, voor de beide gilden , is in de elzen gevestigd geweest sedert 1685 alwaar het is blijven bestaan tot in 1829. Dit jaar werd hun, door de toenmaligen eigenaar, verboden van den vogel daar nog te komen schieten. De leden der jonge gilde steunden op den akt van 12 juni 1685, waarvan zij gedurende honderdveertig jaar, de voorrechten genoten en de lasten ononderbroken volbracht hadden, wilden tegen dit verbod in
proces gaan.

Te dien einde gingen eenige van hen naar Mechelen, bij advokaat Verhaghen, om raad; en deze gaf voor advies dat de gildebroeders niet wettig bevoegd waren eenig tegen den eigenaar in te spannen, om reden dat sedert 1796 alle wereldlijke genootschappen afgeschaft waren, en derhalve dat de eischen gedaan in den naam van een societeit, die door den staat zelf vernietigd was, in het recht niet konden ontvangbaar verklaard worden.

Hierdoor zagen ze af van elk verder rechtsgevolg, en voerden hun wip over naar den bleik van Nagels, waar nu de middelbare school gebouwd is. Hier is de wip eenigen tijd blijven bestaan, tot zij eindelijk omtrent veertig jaar geleden(ca 1830), overgebracht is geworden achter het huis van Peeter Jan Hellemans op den Antwerpschen steenweg. Gelijk de beide gilden hun schuttershof in gemeenschap bezaten, zoo hadden zij ook in de kerk een gemeene kapel, die toegewijd was aan St-Sebastiaan, en waarvan zij te samen het onderhoud bekostigden.

Dit blijkt uit de volgende aanteekeningen, welke men in de registers der oude gilde aantreft:
17 augustus 1672 is in de vergaedering van den heere hooftman, keyser, coninck ende dekens en de gemeyne gillebroeders geresolveert dat alle de boete en de incoomgelt sal gereserveert worden tot het opmaecken van den niven outar5Altaar voor St-Sebastiaan.

1681: betaelt aan Dominicus Van Breedam ende
Mattijs Dillewijns voor vacasie om te gaan naar Antwerpen om te bezien den outaer.

1682: betaelt aan den schilder die St-Sebastiaan op de schilderij heeft geschilderd, 18 guldens, item voor het brengen van de schilderij 6 stuivers. 

1690 (en later): betaelt aen mijnheer pastoor ende coster over de mis van Gilliam Spillemaeckers voor de plaets van de wip, 1 gulden.

1740: betaelt aen Hieronimus Covent voer het maecken van den nieuwen outaer 112 gulden, en voor het schilderen 6 gulden, voer de hellicht.

1753: betaelt aan Jan Baptist Van Onckelen over het leveren van steen ende plavey tot het maecken van den taefel voor den outaer van St-Sebastiaan voor de hellicht 13 1/2 stuivers; item betaelt aan Michiel Frans Parijs over leveringhe van berde6hout of planken gedient hebbende tot het maecken van eenen nieuwen trei ofte trap voor den outaer van St-Sebastiaen voor de hellicht 4 gulden 18 stuyvers; item betaelt aan Joseph Van Aken tot het maecken van denzelve trap, voor de hellicht 4 guld. 7 st.

1766: betaelt aen den heer pastoor de hellicht van de nif outeperriom7wimpel of vaan van een kostbare stof van St-Sebastiaens oulhaer 12 gulden enz…

Was er een plechtigheid of een feestje in het dorp, de twee gilden, met de trommel voorop, maakten doorgaans deel van den stoet.
Zoo zien wij hen vanouds de processiën vergezellen; den bisschop, wanneer hij kwam vormen, en den heer van ’t hof, bij den aanvang van zijn gebied, tot op de uiterste palen van het dorp te gemoet gaan, om ze te verwelkomen; insgelijks den nieuwgekozen hoofdman met praalwagens en een fraai gemaakt schipken, van uit het huis naar de teerzaal inhalen.

Tot deze processiën waren al de leden van de beide gilden, op zware geldstraf gehouden. De hoofdman en de twee dekens droegen ieder een staf met zilveren top, de koning prijkte met een zilveren breuk8een om de hals gedragen ketting met, meestal zilveren, platen, ook wel brook genaamd., en met een zilveren vogel, de alferus9vaandeldrager zwaaide een kostbaar vaandel, de gemeene gillebroeders der oude gilde droegen een boog en die der jonge een pijl met bloemen versierd. Het beeld van St-Sebastiaan werd omgedragen door de vier jongste leden.

Op drie verschillende tijdvakken van het jaar werd er twee dagen achtereenvolgens geteerd, te weten den tweeden en den derden sinksendag; den zestienden en zeventienden augustus en op den feestdag der hun beschermheiligen, 20 en 21 januari. Op deze vergaderingen werd soms een kluchtige kerel ontboden, om door snakerijen en koddige streken de gildebroeders met hun vrouwen ’s avonds wat te verzetten; zoo vindt men b.v. in de rekening van
1687: betaelt aan den boffon ofte sot 12 stuyvers. De voornaamste feestdag nochtans voor de gilden, was de jaarlijksche schieting van den koningsvogel, die op den tweeden sinksendag plaats greep. Te dien gelegenheid kwamen al de leden ’s morgens op de gildekamer bijeen, en trokken stoetsgewijs, met trommel en vaan naar het schietplein.

Wie den vogel afschoot, werd als koning voor dit jaar uitgeroepen, en in volle vreugde naar de kerk geleid, alwaar onmiddellijk het lof gezongen werd. Van de kerk ging de stoet naar de zaal, en hier dronk
men eens vrolijk op de gezondheid van den nieuwen koning. Als het gebeurde dat dezelfde persoon drie jaar achtereenvolgens den koningsvogel afschoot, dan werd hij als keizer uitgeroepen, en bleef zijn leven lang, met dien eeretitel, vrij van alle gelag.

Dit is het geval geweest voor Peeter Lemmens, Jacob De
Bruyn, Wouter Verheyden, Peeter Verheyden, Peeter Verhaegen, en Willem Van Onckelen, die den eerenaam van keizer verworven hebben; de eerste in 1659, de tweede in 1697, de derde in 1739, de
vierde in 1744, en de laatste in 1792. (in de jaren 1630, 1631, 1632, 1634, 1635 en 1636 zijn alle feestvergaderingen geschorst geweest, om de pest, die toen hier en in de naburige dorpen schrikkelijk
gewoed heeft)

De muziek, welke de gilden op hun kosten in de processiën deden spelen, bestond uit één vedelaar of vioolspeler en één trommelaar. Zoo leest men jaarlijks in de oudste rekeningen: betaelt aan twee spellen eene feyselaer en eenen tamboer voer het spelen in de processie van H. Sacramentsdag en alf oogst 3 gulden.

De gewoonte van zoiets onnoozels in de processiën te hebben was schier algemeen op de buitendorpen. Voegen wij hier nog aan toe dat de alferus zijn vaandel met een zekere behendigheid links en rechts rondzwaaide, en wij zullen ons een denkbeeld vormen van de eenvoudigheid onzer voorouders.

Maar andere tijden andere zeden; later begonnen soortgelijke vergezellingen als ontstichtend beschouwd te worden, en op 13 juni 1718, op verzoek der geestelijke overheid, verscheen een besluit
van den soevereinen raad verbiedend voortaen in de processiën te verschijnen met trommels, vendels, fusiecken en andere diergelijcke instrumenten, op pene van 25 gulden amende bij iedereen te
misbeuren voor elke controversie.

De gilden bestonden uit één hoofdman die bij meerderheid van stemmen voor zijn leven gekozen werd; uit twee dekens, een ouderdeken en een jongerdeken, die jaarlijks vervangen werden en gelast waren de rekening te maken van hun dienstjaar; uit een alferus of vaandeldrager; uit één koning die dit jaar den vogel afgeschoten had, en eindelijk uit een zeker aantal gildebroeders, allen van de bijzonderste ingezetenen.

Alvorens tot lid der gilde aanvaard te worden, moest men den eed van getrouwheid afleggen in handen van den deken op volgende wijze: Ick N. belove ende sweere als guldebroeder van den ouden eedelen hantboghe van S.Sebastiaen binnen de parochie van Boom, de hoofdman, coninck, dekens ende gemeyne guldebroeders van selve gulde altijd te sijn goet ende ghetrouw ende de ordonantie der selve galde als nu ghemaeckt ofte naemaels bij advijse van hoofdman, coninck, ende dekens te maecken, te onderhouden in al haere punten ende clausen ende in alles te doen ghelijck een guldebroeder schuldigh ende gehouden is te doen, soo helpt mij Godt ende alle sijne heylighe.

Het ambt van alferus of vaandeldrager werd onder de gildebroeders, bij verpachting, uitgegeven, doorgaans voor een som van 80 gulden, ééns te betalen. De alferus met zijn vrouw waren hun leven lang vrij van alle gelag. In den loop van 1796, vierde jaar der Republiek, werden de gilden, te gelijk met alle ander verouderde
instellingen van dien aard, in het land afgeschaft. Doch in 1802 zijn zij te Boom heropgericht; maar thans (1873) hebben zij opgehouden te bestaan. De laatste rekening der oude gilde dagteekent van 1845.
Naamlijst van de personen, die eenig eereambt bekleed hebben in de oude gilde, daar onze voorouders het zich tot een groote eer achtten deel uit te maken van de gilde.(de doop-en familienamen werden hier letterlijk overgeschreven gelijk zij in de registers zijn opgeteekend.)

Naamlijst der hoofdmannen
————————————-
Geeraert Hallemans
1636 tot 1663
George Bosschart
1664 tot 1678
Andries Pirioens
1679 tot 1680
Gillis De Jonghe
1681 tot 1692
Adriaan Vandenvliet
1693 tot 1702
Willem Boschart
1703 tot 1718
Michiel Bosschart
1719 tot 1732
L. De Swert
1733 tot 1743
Lopez De Gradin
1744 tot 1750
Carl J. Simon
1751 tot 1769
J.E.De Beckers
1770 tot 1801
Jan Baptist Sel
1802 tot 1819
Pet. J.Spillemaeckers
1820 tot 1845

Naamlijst der alferussen(vaandeldragers)
———————————————
Merten Braeckmans
1640
tot
1646
Jan Hallemans
1647
tot
1678
Adriaen Suyens
1679
tot
1716
Simon Verhavert
1717
tot
1733
Guilliam Steenackers
1734
tot
1749
Carolus Deheldt
1750
tot
1759
William de Wachter
1760
tot
1784
Michiel Struyf
1785
tot
1826
Frans De Wachter
1827
tot
1845

Naamlijst der dekens met hun dienstjaar
—————————————-
Gillis Seldeslach 1629, Jan Hallemans 1632, Jan Boelpaep 1633, Andries Beeckmans 1636, Jan Somers
1639, Jan Van Denvliet 1640, Jan Pirioens 1641, Jaques Van Denbossche 1642, Geeraedt De Bruyn 1643,
Andries Pirioens 1644, Gillis Seldeslach 1645, Jaques De Bruyn 1646, Antony Van Denbogaert 1647,
Andries Beeckmans 1649, Peeter De Bruyn 1650, Hendrick Verthommen 1652, Jan Van Denvliet 1653,
Peeter Coveliers 1654, Jan Van Onckelen 1657, Adriaen Van Denvliet 1658, Jan Pirioens 1659, Cornelis
Boelpaep 1660, Jan Hallemans 1661, Hendrick Verthom-men 1662, Jaques Verheyden 1663, Andries
Pirioens 1664, Peeter Franchois 1665, Peeter Lemmens 1666, Peeter Coveliers 1668, Jaques De Bruyn
1669, Daneel Verbrugghen 1670, Adriaen De Bruyn 1671, Gillis De Jonghe 1672, Jan Seldeslach 1675,
Gillis Beeckmans 1677, Gilliam Nuyens 1678, Gilliam Dillewyns 1679, Dominicus van Breedam 1680, Jan
Coveliers 1681, Ghysbrecht Van Bulck 1682, Peeter Roels 1683, Andries Pirioens 1684, Adriaen
Coeckelbergh 1685, Francois Addiers 1686, Gilliam Selleslach 1687, Sillis Klamendt 1689, Michiel De
Bruyn 1690, Joos Verha-vert 1691, Jan Boelpap 1692, Mathys Dillewyns 1693, Peeter Crauwaerts 1694,
Martinus Verhaegen 1695, Gillis Selleslach 1696, Jan Clement 1697, Adriaen De Bruyn 1698, Augustyn
Putte-mans 1699, Franchoys Peeters 1700, Peeter Peeters 1701, Gilli-am Van Nonckelen 1702, Geeraert
De Bruyn 1703, Guilliam Van Onckelen 1704, Jacobus Seldeslach 1705, Gilliam Apers 1706, Guilliam Van
Denvliet 1707, Jan Van Onckelen 1708, Cornelis koeveliers 1709, Cornelis Huygelen 1710, Gommer Van
Bulck 1711, Christoffel Van Zeebroeck 1712, Pelipus Apels 1713, Peeter Miers 1714, Jan Pierions 1715,
Andris Beckmans 1716, Jan Boelpaep 1717, Gilliam Roels 1718, Peeter Verreycken 1719,Jacobus Roels
1720, Peeter Scholiers 1721, Jan Verheyden 1722, Gillis Selleslachs 1723, Gilliam Lamot 1724, Peeter De
Bruyn 1725, Adriaen Bal 1726, Gillis Clement 1727, Jan Puttemans 1728, Merks Mampaey 1729, Peeter
De Bruyn filius Petri 1730, Adriaen Van Denvliet 1731, Michiel Parys 1732, Philupus Apers 1733, Rochus
De Wachter 1734, Gillis Costermans 1735, Peeter Verhaegen 1736, Jan Steenackers 1737, Wouter
Verheyden 1738, Jan Van Denvliet 1739, Michiel Selleslagh 1740, Jaques van Linden 1741, Gillis De Budt
1742, Gillis Van Bulck 1743, Martinis Van Denbriel 1744, Adriaen Miers 1755, Adriaen De Bruyn 1746,
Addrejaen Mampaey 1747, Jan Baptist Van Onckelen 1748, Gilliam Lauwers 1749, Guiliam De Wachter
sone Rochi 1752, Gillis Van Derauweraet 1753, Michiel Pierions 1754, Francis De Bruyn 1755, Francus De
Bruyn 1756, Guilliam van Onckelen 1757, Anthoon Beeckmans 1758, Peeter Verdonck 1759, Jan De
Wachter 1760, Jan De Cuyper 1763, Jan Bal 1764, Peeter Clement 1765, Gilliam Vertonghen 1766,
Francus De Laet 1767, Lauwerys De Proft 1768, Jan De Bruyn 1769, Gillis Struyf 1770, Gillis Selleslaghs
1771, Jacobus Van Berendonckx 1772, Jacobus De Wachter 1773, Philippus Bridts 1774, Gilliam
Steenackers 1775, Andries Verrrept 1776, Jan Baptist Verheyden 1777, Jan Baptist Cop 1778, Geeraert
Mampaey 1780, Bruno Spillemaeckers 1781, Peeter Spillemaeckers 1782, Jacobus Van Hoeck 1783,
Peeter Verheyden 1784, Antonis De Wachter 1785, Gielus Kelder-mans 1786, Francois Spillemaeckers
1787, Gilius Assselbergh 1788, P.Lauwers 1789, Frans De Backer 1790, Peeter Joos 1791, Cornelius Kop
1792, Jacobus van Bulck 1793, Cornelius Reyniers 1794, Joannes Pierions 1795, Gillis Van Der Auwera
1796, Adriaen Van Nuffel 1802, Joannes B.Reyniers 1803, Jan Baptista Van onckelen 1804, Franciscus
Mampaey 1805, A.Hendrickx 1806, Andries Van Bulck 1807, A.Van Reeth 1808, Michiel Mampaey 1809,
Peeter Voorspoels 1810, Guiliam Bal 1811, Jan Roelands 1812, Judocus Forceville 1813, Jacobus Van
Onckelen 1814, Peeter Jan Van Denbogaert 1815, Jacobus Van Onckelen 1816, Guilielmus Roels
1817,E.De Wachter 1818, Jan Baptist Maes 1819, J.B.De Wachter 1820, Cornelis Stenakkers 1821, Jan
Baptista Janssens 1822, Joannis Baetens 1823, Francus Briedts 1824, Peeter Struyf 1825, Jan Baptist
Selleslaghs 1826, Fran-ciscus De Pooter 1827, Peeter Vertommen 1829, Peeter Ceuppers 1833, Petrus
Vinck 1841.