DE TRONKENMANSWEG

Terug naar overzicht jaarboek 1997-1998

door Broeder Paul Peeters

KERSTVERHAAL UIT HET ZONIËNBOS

Elsene, Kerstmis 1959

Dit Kerstverhaal werd speciaal door broeder Paul Peeters geschreven voor zijn neven en nichtjes. Ook wij mogen er mee van smaken.

Wacht, ik zal jullie nu vertellen wat er op die kerstnacht met Antje allemaal gebeurd is. Hoor eens! Buiten jaagt de wind, slecht weer voor Kerstmis. Maar hier is ’t lekker warm, nietwaar ? Kom alle vier rond mij zitten, want het verhaal is lang en niet altijd plezant.

– Leentje hoe zit het met je tandjes ? Geen pijn meer ? Zie je wel ! Zo, heeft de dokteres er een zilverdraadjes overgespannen ? Laat zien ! Nou, jij mag hier vlak bij mij zitten – Watblieft, Dirk ? Valt ze altijd in slaap als ik vertel ? Wat doet dat ? Groot gelijk heeft ze; daarom vertel ik óók!

– Neen, zeker niet, Leentje; je slaapt niet elke keer. Zo, zijn we er? Hoor toch de wind ! Wie weet, wat jullie overgrootvader was, niet opa, wiëns portret in de gang hangt, maar die zijn vader ?
– Juist, boswachter in het Zoniënbos. Hij had een grote snor en brede bakkebaarden zo aan weerszijden van zijn gezicht, droeg een donkergroene jas met benen knopen en een groene hoed met een busseltje haar op, van een das of een gems, geloof ik.

 – Een gems ?
Dat is een soort wilde geit uit de hoge bergen. Hij was in Oostenrijk geweest en had daar de toenmalige keizer op jacht gezien, Frans Jozef heette die; die droeg ook zo een baard en hoed en zijn generaal en ministers hetzelfde en allemaal dassenborsteltjes op hun hoeden. Wel, als ik klein was, vertelde overgrootvader ons dit verhaal, een beetje anders dan ik, maar het voornaamste moet toch echt gebeurd zijn. Toentertijd was het Zoniënbos nog merkelijk uitgestrekter dan nu; er waren nog geen brede straten, geen auto’s om erdoor te rijden en lawaai te maken en het wild te verjagen.

De Tronkenman was een oude boom, die de weerlicht eens half weggeslagen had en als je hem van één kant bekeek, geleek hij wel op een zatte man, daarom heette hij misschien zo en de weg ook.
Dat kan wel zijn, maar luister eerst eens naar het verhaal. Achter het bos ligt het kasteel van de graaf, midden in een uitgestrekt domein. Het wild wisselt, dit wil zeggen loopt van ’t een bos over in ’t ander, lijk de reeën die we eens achter ons over de weg zagen springen, weten jullie nog?

– Antje? Ja, wacht wat! Die was lijk ons Leentje zo een jaar of vijf oud. Ze woonde nogal ver afgelegen achter ’t bos, met haar vader Pierejan en haar grootmoeder… Haar moedertje ? Gestorven, toen Antje nog maar één dag oud was, naar de hemel gegaan; ja.

 

Maar ’t ergste van al: haar vadertje, die daar veel verdriet in had, was nu dikwijls bedronken, hij deed zijn boswachterswerk niet goed meer, hij werd afgezet en kreeg houthakkerswerk, bomen vellen en zo. Jullie overgrootvader werd tot woudmeester, zal ik maar zeggen, over hem aangesteld, maar Pierejan wou zijn geweer niet inleveren en overgrootvader wist, dat hij soms stroopte.

– Stropen ? Wild schieten of vangen zonder toelating. Daarvan wist Antje natuurlijk niets, ze was nog veel te klein en de kostbaarste schat van haar vadertje, ook al omdat ze meer en meer op haar gestorven moedertje ging lijken, maar haar haar was lichter blond en haar ogen blauw gelijk het bloempje ereprijs, dat jullie goed kennen.
Nooit ging hij naar de stad of hij bracht iets moois of iets lekkers voor haar mee. Ook nam hij haar wel naar zijn werk mee in ’t bos; hij droeg de bijl, een zaag en touwen op zijn schouders en zij mocht de boterhammen en de koffie dragen, als het niet te ver was. Dan aten ze bij de Tronkenman en als het regende kon ze daar ook schuilen in de grote overjas van haar vader, met de kap over haar hoofdje. Dit was prettig en je kreeg wel eens bezoek van een eekhoorn of van een specht met blauw en rosrood, die met de kop omlaag van de stammen afloopt alsof ze aan de bomen kleefde.

Bang was ze nooit, was ze niet een kind van het bos? Wonderlijke dingen die je daar zien kunt. Onder de hoge beuken groeien de groene kussens van het lantaarntjesmos en het zuurklavertje heeft er slaapblaadjes, die hangen ’s avonds slap omlaag, en zijn bloempjes zijn lijk kleine porseleinen bekertjes. Hebben jullie al rode kniptorren gezien? Tik tak, tik tak, hoe laat is ‘t?

Jonge steenuiltjes wonen soms in konijnenpijpen op een steile kant en maken een vreemd gesuis, zodat je eerst niet weet vanwaar het komt. “Uzie, uzie, uzie!” zeggen ze, “bij ons is ’t altijd ruzie!” haar vadertje kon zó fluiten, dat de bosmuizekens en hagedissen ’s zomers uit hun onderaardse woongangen kwamen, en ais hij op een kanadablad tussen zijn twee duimen blies, kwamen de witte roofvogeljongen over de rand van hun hoog  nest naar beneden kijken.

Grotemoe deed het kleine huishouden, ze was bijna doof en kon maar gaan met een stoel, die ze altijd voor zich uit schoof. Dat had je moeten zien! Ze zegde dat ze daarmee ronddanste. Ze hadden ze nooit anders gekend. Ver moest ze nooit niet gaan, het huisje was klein en naar de kerk was ze sedert lang niet meer geweest. Antje had nog een tante die op het kasteel diende, Tante Amelie, zuster van haar vader, en daar had ze nog een vriendje, de juffrouw van het
kasteel, die freule Yvette heette. Grotemoe zegde, dat die dikwijls in een vreemd land woonde, om te schilderen, maar altijd naar ’t kasteel terugkwam en dan duurde het niet lang of Antje zag haar voorbijrijden op een paard. Eens, vóór de deur, had ze Antje vóór zich in ’t zadel getild. Oei! ze was bang, zo hoog op dat groot beest! Freule Yvette had ze dadelijk weer op grotemoe’s schuifstoel gezet en Antje sprong snel op de grond, zodat het paard omkeek met
zijn mooie ogen, en zijn blinkende teugels schudde.

– Het verhaal? We zijn er, we moeten toch eerst de mensen kennen. Maar het was in die strenge winter, waarvan de lieden nog lang navertelden. Brandhout groeide daar genoeg; sparrenhout ruikt fijn, beuk en berk geven veel warmte. Daags vóór Kerstmis lag de sneeuw zó dik; ’t was helder weer, zo blauwachtig en bijna helemaal stil in die afgelegen boskanten.

Alleen de kraaien krasten van de kou; mezekens geraakten moeilijk aan de kost, al dragen ze zo een fijn kleed en ze kwetterden om van Antje broodkruimeltjes te krijgen: wisperdewisp!

Grotemoe was niet wel te pas, maar dat zegde ze nogal dikwijls. Ze had een mooie kerstprent aan de muur gehangen, elk jaar dezelfde; die beeldekens moesten eigenlijk op karton geplakt en uitgesneden worden, je kent dat. Grotemoe prikte het blad elk jaar met spelden aan de muur en zette er een vetlichtje voor, dat is een glazen potje met olie in, waarop een brandend wiekje ronddrijft. Dit gaf een wemelend schijnsel op de figuurtjes en op het blozend engeltje dat uit een nieuwjaarsbrief gesneden was.

Vadertje was weggegaan, hij moest nog hout halen, zei hij, maar grotemoe wist wel beter. Vóór dat hij achter buiten was, verborg hij een in tweeën geplooid geweer onder zijn winterjas en trok door ’t bos naar Tervuren, naar de herberg. Op zijn terugweg, als de volle maan op de sneeuw scheen en er zeker geen wachter omtrent was, zou hij eens uitkijken en misschien zijn vinger kunnen krom maken, zo paf! Misschien wel voor een ree, er kwam er dikwijls een paar rond de Tronkenman, waar onder de sneeuw altijd nog wat hooi en dorre bladen te vinden was.

Antje had zich al een tijd met schone sparrenkegels geamuseerd, toen ze opkeek omdat grotemoe plotseling wakker scheen te  worden in haar zetel; haar ogen stonden strak en waterig; haar één hand wuifde met schokjes over de leuning, haar kin ging op en neer, ze scheen telkens iets te willen zeggen, maar Antje verstond haar niet. Toen hoorde ze in de verte gerinkel van belletjes en wist dadelijk wat het was. Ze liep buiten aan de weg en daar kwam de slede van het kasteel aangeschoven.

Een grijs paard met lichte vlekjes en dat ze appelschimmel noemen, liep vooraan met blinkende knopen en schelletjes aan zijn krakend gareel. De slee had de vorm van een zwaan, met drie kleine klokjes op zijn kuif. Vooraan zat Sander de koetsier met een deken op zijn knieën; achter hem freule Yvette, ais een gelukbrengende fee, in een kostelijke pelsmantel, en haar handen in een warme poezemof.

Ze lachte op Antje en liet stilhouden. “Pas op, kind, voor de kou!
’t Zal goed doorvriezen deze nacht.” Ze nam haar op haar schoot – ach ja, dat zou deze nacht nog eens gebeuren – ze rook fijn en dat bont was zo poezelig zacht. “Jij  gaat niet mee naar de nachtmis, hé? Te vroeg nog, te ver en te koud. Wij moeten het kerststalletje nog wat bijschilderen. Overmorgen neem ik je mee om te zien. En kijk eens hier wat ik meegebracht heb!”

Ze haalde van tussen de dozen met glazen bollen en engelenhaar een pakje te voorschijn: wantjes, aan een tint om over de hals te hangen. Die deed ze Antje aan, warme rode wollen wantjes, met een geel bloempje erop gestikt. “Loop nu maar rap binnen, laat ze eens zien aan grotemoe. Hoe gaat het met haar?” vroeg ze nog, terwijl de belletjes al rinkelden, het gespan snel over de sneeuw gleed en links wegdraaide naar de verre kerk toe.

De winterzon was al ondergegaan; gene kant van de hemel stond, achter de wirwar van de takken, zo schoon in paars en goud, jullie zouden blij geweest zijn dit te mogen zien.

Grotemoe zat nog altijd stil in de zetel. Antje trok aan haar knie: “Grotemoe, kijk eens wat schone wantschoentjes! Die heeft de juffrouw van ’t kasteel mij gegeven. Grotemoe!” Die scheen wel te slapen; maar neen hoor, was erger. Ik denk dat haar schuifweg over de vloer ten einde liep. Antje speelde naast de ronde kachel op de grond, bekeek hoe de bloempjes op haar wantjes er van binnen uitzagen; dacht: die os en die ezel daar hadden het Kindje Jezus met hun adem verwarmd, … en zo moet Antje in slaap gevallen zijn. Lange tijd later werd ze wakker van de kou. – Het begint, kinderen! – De kachel was uit, het olielampje flikkerde vreemd.

Stijf stond ze op. Waarom zat grotemoe nog altijd stil in de zetel en antwoordde ze niet ? Antje werd bang in de halfdonkere kamer, ze werd gewaar dat er iets misliep en keek naar de deur. Wanneer komt vadertje terug of freule Yvette, die konden toch niet ver zijn? Ze zou haar vadertje tegemoet gaan en zeggen dat hij naar grotemoe moest komen zien. Ze trok een sjerp van de kapstok. Grotemoe, zal ik de jas van vader aandoen? Ze moest op een stoel klimmen om eraan te kunnen en hij is veel te groot. Eindelijk was hij met twee knopen vast. Nu de wantjes terug aan en de kap op. Nog eens naar grotemoe gekeken om te zien of die niets zegde, en dan trok de zonderlinge gestalte de deur uit. Het arme kind kon natuurlijk niet weten dat het voor goed was.

– Ssst, stil, Dirk … laat Leentje maar slapen; heeft ze vannacht geen tandpijn gehad misschien? Schuif wat op en laat ze tegen mij aanliggen. Zo. Buiten verschoot Antje zeer; wat voor een overgrote rode maan was me dat, tussen de hoogste boomtoppen! Daar had je nu Janneke Maan, zo dichtbij en met open mond. Heinde en ver was alles lichtjes blauw, met schaduwen onder de sparren, lijk donkere holen, waar je best ver van weg bleef. Ze scharrelde naar de weg en zag de sporen van de slee; gindsheen was de freule gereden. Het was ferm koud; vier pluimwolkjes dreven hoog over de bleke sterren en geen een van hen dat de andere inhalen kon. De sneeuw kraakte onder haar voetjes en ze kwam moeilijk vooruit. De kou begon scherp in haar kinnetje en neus te bijten. Nu was ze alleen in `t bos, dat er helemaal anders uitzag. Naar grotemoe durfde ze niet terugkeren. En als nu voor één keer de wolven toch eens kwamen? Ze strompelde verder in het spoor; de veel te wijde jas sleepte stijf achterna, de braamstengels wilden haar tegenhouden. Haar handjes begonnen te tintelen en zeer te doen. Ze bleef weer staan. Zie, zie, zie lispelde de wind in de sparrentoppen; ergens veraf riep een treurige uil en dan nog eens, korter bij. Let op, die komt naar hier. Ze kreunde zachtjes, riep op haar vadertje en blies bibberend in haar verstarde vuistjes. Toen werd het langzaam beter, ze voelde de kou zo niet meer. De maneschijn glansde op duizend zilveren kerstbomen.

Antje had horen zeggen dat er vreemde dingen gebeuren op Kerstnacht en dat zou mij ook niet verwonderen. Het Kindje Jezus heeft toch met zijn komst alle mensen uit alle tijden verlost. Ook de wilde lieden, die lang, lang geleden in `t bos aan de Vuilbeek woonden, een volk van ijzersmeden, Dirk, van jagers op beren en woudbizons. En als je goed toeziet, trekken geheimzinnige processies door bos, met kappen en lichtjes, lijk kabouters, en als je naderbij komt, zijn ze weg.

Misschien monniken en paters uit de verdwenen kloosters, uit het Kapucijnenbos, uit Rodendaal en Groenendaal. De Keizersbron geeft lichtend water, en ais je goed luistert hoor je het klokje luiden van het verzonken kerkje in de bevroren Klabolsenvijver. Maar, zie ik goed, ik meende… Als iemand op Kerstnacht sterft, komt er een engel hem halen, opdat hij er nog bij zou zijn als daarboven het feest begint; de engel van de verlossing, wie hem in de ogen kijkt, herkent hem als een vriend van oudsher, laat alles aan God over en is voor altijd tevreden.

Intussen is Antje met veel moeite tot bij de Tronkenman gesukkeld, zakt druilend op de beukestam die daar ligt en beweegt niet meer. Slapen, slapen! Ze voelt geen kou meer, maar wel grote vaak en dat is gevaarlijk, want wie in deze krakende vorst insluimert, vriest dood. Zie-zie-zie fluistert de onzichtbare wind en zift wat sneeuwpoeder ais diamantstof over de bruine jas… Zo ver is ’t nu. Alleen nog Janneke Maan zeilt daar, boven het groot bos, langzaam naar de andere oever. Zien jullie aan gene kant die schaduwen nader komen? Drie reeën! Zie je de damp van hun adem? Hun dunne pootjes zakken soms door de sneeuw; hun grote oren staan recht naar het fijn gesiep van de ijle wind; ze snuffelen met hun zwartfluwelen neus voorzichtig de lucht op; misschien hebben ze allang geroken dat er een mens in de nabijheid is. Maar de honger doet ze de schuchterheid vergeten; en er verroert immers niets? Antje is aan ’t doodvriezen.

Ik zeg, dat daar op Kerstnacht alles kan gebeuren. De bovenste dorre tak van de Tronkenman wuift nauwelijks tegen de maanhemel, en floep! daar zit opeens de oude bosuil Loekoefoe. Die kennen we al. – Wat? Of alle uilen stoute vogels zijn?  Neen, zeker niet; maar ieder zal wel zijn karakter hebben, lijk bij de mensen… Deze is een treurige zwartkijker,  die altijd ongelukken voorzegt, allemaal leugens en valse profetieën. Zijn pinkende ogen liggen dicht bijeen in zijn dikke kop, die hij helemaal kan omdraaien; zijn baardpluimpjes bewegen altijd, alsof hij kwade toverwoorden aan ’t opzeggen was. Hij zet zijn veren overeind en ’t is net of ik hem hoor spreken tegen de maan: “Koud, koud, mijn oorpluimpjes zijn al rats afgevroren!”

Jullie weten wel dat bosuilen nooit geen oorpluimpjes gehad hebben, zeker? “Chocko chooi! Dat is nu de laatste nacht, het einde van de wereld, zoals ik altijd voorzegd heb.  Nacht en sneeuw, van het Lathouwersgat in het oosten tot de Hazenberg in het westen.

De zon is uitgedoofd, geen lente meer over de bossen, geen meiklokjes meer, noch wilde aardbeien, noch ijsvogelvlinders op de bloeiende bramen. Amen en uit! “En,” zegt hij, “wat onder de sneeuw slaapt, wordt nooit meer wakker. Ik hoor de boomstammen al met een knal openbarsten van onder tot boven. En ik zie een man over de sneeuw komen, met een geweer en hij schiet, hij schiet! Chocho en chocho chooi!” Weg is hij, de tak wuift weer vóór het maangezicht en nu begin ik zelf al te twijfelen, hebben jullie ook die ongeluksvogel werkelijk gezien?

Wie komt daar langs de holle Wolvenweg uit Tervuren aangestrompeld? Als dat Pierejan niet is, Antjes vader! Hij is  dronken, zijn hoed over zijn oren, zijn kop tussen zijn schouders, zijn handen diep in zijn zakken, zo slingert hij wat door de sneeuw en zijn  schaduw schuift aan zijn hielen mee. Naar huis wil hij, maar hij vergeet niet wat hij nog van zins was.Hij wijkt van de weg even af, naar een hoop brandhout die hij zelf netjes opgestapeld had bij zijn werk. Wat haalt hij daarvan tussen tevoorschijn? Hij wikkelt een jachtgeweer uit een zak en trekt het recht. Zijn vingers blijven er bijna aankleven van de kou en het duurt een tijd voor dat hij een patroon in het geweer krijgt. Dan sluipt hij in de donkerte van dichte sparren behoedzaam nader tot de Tronkenman. Hij wacht telkens en kijkt.

Wat ziet hij ginds in de maneschijn? Twee, drie bruine schaduwen en hij is zeker dat ze verroerden. Van stam tot stam schuift hij naderbij. Dat geeft een lekker stuk vlees met Kerstmis en Nieuwjaar voor zijn oude moeder en Antje. Antje, Antje! Nu staat hij zeer goed en al, kinderen, hij heft langzaam zijn geweer en mikt op de bruine plek! Maar zijn armen zijn stijf en beven van de kou en hij veegt eerst met zijn stramme vingers de tranen uit zijn ogen; dan loert hij weer en heft opnieuw zijn geweer en mikt lang…

Pawow! Al te hard klinkt het tussen de stammen, gans de omgeving galmt mee, tot in de verre dellingen en flossen. Als in een weerlicht meent hij twee reeën te zien wegspringen, drie! En hij zegt een vloekwoord. Mis! Wat is me dat nu? Kan hij niet meer schieten? Hij staat een ogenblik troosteloos te kijken; het bos is nu ineens een zwijgende, vijandige eenzaamheid. Mis! Wat doet hij hier nog? Snel naar huis en proberen warm te slapen. ’t Is Kerstmis morgen voor de brave mensen, voor Antje en haar grotemoe. Ja, ja. Zo strompelt hij voort, het geweer aan de riem over zijn schouder, er is immers zeker geen jachtwachter heinde en ver. Naar huis en lekker slapen? Niets van, hé kinderen! Hij zou nog dingen beleven, dat zijn haar er grijs van werd in één nacht!

Hola, wat is dat ginds tegen die liggende stam aan de Tronkenman? Blijdschap licht zijn donkere blik. Zie je wel, dat hij niet misgeschoten heeft! Hij stapt dwars door de losse sneeuw en staat voor het bruin hoopje. Het is geen ree, een bruine jas met iets roods, zijn jas!? Hij trekt aan de kap en ziet een bleekblauw gezichtje. Uiterst verbaasd staat hij recht en lacht. “Die Franse borrels hebben mij dronken gemaakt”, bromt hij, “ik ben zat en zie overal het gezicht van mijn kindje!” Hij kijkt rond naar de zwijgende wereld en omhoog naar de verstoorde maan. Hij schudt zich, knijpt in zijn armen, maar alles blijft zo, het is geen droom. Wat doet Antje hier? Antje! Hij rukt aan de kraag,  Antje valt omver met haar gezichtje op de sneeuw en blijft daar liggen. 

– Niet wenen, Lutgard, alles komt misschien nog wel goed uit. Dan staat de man weer recht, helemaal nuchter nu, want een veel koudere hand dan de wintervorst grijpt naar zijn hart. Hij richt Antje terug op en schudt haar en roept haar naam. En dan eerst overvalt hem als een donderslag een verschrikkelijke gedachte: hij kan maar al te goed schieten. “Neen”, schreit hij met schorre stem en ais je dat gehoord had, zou je het je leven lang niet vergeten. “Neen, het is niet waar, het kan toch niet!” Een razende schrik jaagt hem op, als een gekwetste leeuw.

“Oh, mensen! Help! Mensen!” maar in het wijde bos is er niemand die hem hoort. Hij heft zijn kind op, trekt de jas uit de sneeuw los en loopt als een gek naar huis. Doch weldra blijft hij staan. Thuis? Niets gekort. Hulp moet van de mensen in het dorp komen, ais het niet te laat is. Hij rent terug voorbij de Tronkenman naar Jezus-Eik, een al te lange weg, bergop en bergaf. En hijgen en kermen en lopen en struikelen en in de sneeuw rollen met zijn kostbare vracht, de ongelukkigste mens op de wereld.

De bedevaartkerk van Jezus-Eik, die vroeger een toren had, lag in de maneschijn als een toverschip tegen de bosrand gemeerd, tussen weinige huizen, alles door de sneeuw samengedekt. Door de berijmde kleurramen hoorde je orgelspel. Binnen was alles wat schemerig verlicht; het geurde er naar wierook op ’t einde van de middernachtmis en de tevreden mensen begonnen hun sjaals en handschoenen aan te doen, terwijl de kinderen met hun muts of kap al over hun oren, nog eens naar de oude schilderijtjes keken die daar hangen. In het eikenhouten gestoelte met het wapenteken zat freule Yvette, een weinig vermoeid, want ze was al uren in het kerkje; ze was tevreden over het beschilderd stalletje en kinderen hadden de liedjes meegezongen; hoe veel liever was ze met Kerstmis hier onder de gewone lieden dan bij de rijke nachtfeesten in het zuiden van Frankrijk!

Toen ontstond er een gestommel in het kerkportaal, een gejank als van een gewond dier, dat de deur openstiet. Ze keken allemaal om en daar stond een erbarmelijke verschijning: een man met verwilderd haar, besmeurd met sneeuw en ijs, tranen en zweet vervroren op zijn aangezicht en zijn schor gekerm klonk door de kerk. Wankelend hield hij met moeite een hoopje kleren tegen zich vast en de freule, die ook omkeek, kreeg een schok door haar hart, want uit dan bundeltje stak een armpje met een rood wantje stijf omhoog

Overgrootvader en de dorpsdokter stonden al bij hem, ze begrepen maar half wat de man met snikken en kreunen vertelde; dat Antje thuis weggelopen was, terwijl hij op reeën loerde. “Ze is geraakt, een kogel ik… ik… mensen help toch! …” Ze meenden dat hij waanzinnig was en de lieden die buiten kwamen, gingen met hun kinderen schuw rond hem heen, vol ontzetting en medelijden, want hij lag geknield achter de laatste stoelen, met zijn hoofd op de vloer, net alsof hij met God aan ’t vechten was voor zijn kind.

Ze droegen Antje buiten naar de afspanning daar kortbij, waar volk achter de berijmde vensters te horen was. “Niet daarbinnen”, zei de dokter, “daar is ’t te warm, dat is gevaarlijk; maar hier in de schuur”. Stro was daar genoeg. “Ze leeft nog,” murmelde de dokter; “snij de mouwen van die jas maar door met een mes, voorzichtig! Ik zie nergens geen bloed; bevroren is ze. Licht eens bij met de lantaarn. Sander, wil jij nog eens dikke handdoeken vragen of een wollen sjaal, daarmee wrijven we de vorst uit haar armpjes en beentjes.”

Wel, ik dacht al aan de Drie Koningen in het stalletje te Betlehem, die drie mannen rond Antje op de schoot van de freule. Opeens fluisterde deze met haar bleek gezicht: “Dokter, als Antje thuis weggelopen is, … de grootmoeder? …” De dokter begreep dadelijk. “Kunt u eens gaan zien? Doe uw pelsmantel maar gauw terug aan, Antje heeft hem niet meer nodig. We hopen haar nog te redden.”

Sander de koetsier spande de appelschimel voor de zwanenslee en weldra schoven ze de lange weg op; de maan stond nu aan de andere kant van de nachthemel, maar je kon het sneeuwspoor nog duidelijk zien. Het paardje had, gelijk men zegt, de stal geroken, het liep als de wind; niets dan een dwalend schijntje en een verloren gerinkel in ons groot bos. Ze suisden voorbij de Tronkenman, zonder erg dat het daar gebeurd was. Ze hielden voor het huisje stil en Sander de koetsier nam een van de vierkante koperen lantaarns mee. Het huisje lag helemaal stil, de voordeur stond op een kier, de kamerdeur ook en dan lichtte Sander de koetsier in de kille woonkeuken.

Grotemoe zat in haar zetel, haar handen waren ijskoud, haar aangezicht was wit en ijskoud. Voor haar was de engel van de verlossing door de kerstnacht gekomen. De freule probeerde de ogen van de grotemoe toe te doen, zoals men dat doet voor iemand die gestorven is en die men gaarne ziet. Dan keek ze met natte ogen rond in het armoedig donker huisje van Antje en dacht aan de paleizen van sommige rijken. Ze letten of het dansende olievlammetje geen brand kon stichten en lieten alles zoals het was, maar sloten zorgvuldig de deur.

Sander op de bok keek, vóór dat hij aan de teugels trok, bezorgd naar de freule om, tot ze het reisdeken over haar knieën had en beide handen in de mof. Toen hij koetsier werd op het kasteel was ze nog een klein meisje, later leerde hij haar ook paardrijden en nu, zelfs zwijgend van verdriet, hoe schoon was haar gelaat!

Die voormiddag vond overgrootvader aan de Tronkenman een geweer in de sneeuw en wist aanstonds van wie het was. Hij rook eraan en zegde: “Hij heeft er toch mee geschoten!” Tegen Pierejan heeft hij daar geen woord over gezegd; overigens heeft hij hem nooit meer weten stropen, noch één keer dronken gezien.

– ja, ja, Lutgard, ik weet het wel: Antje, hé. Of Antje gestorven is? Bijlange niet, kind. Heb ik niet gezegd dat de voorzeggingen van de bosuil Loekoefoe louter leugens waren? Antje was helemaal niet getroffen door haar vader, alleen erg bevroren. Ik geloof zelfs dat men van op de plaats waar haar vader schoot, Antje niet eens kon zien zitten. Ben je tevreden? Maar die vliegende kogel was toch gevaarlijk, niet waar? En nog wat: ware Pierejan niet naar de reeën gaan schieten, dan had hij -ook Antje niet gevonden en dan ware ze ’s morgens steendood geweest.  In ’t hospitaal hebben ze Antje niet zonder moeite weer opgeknapt.

Drie weken later reden ze ermee naar huis, in een grotere slee, met twee dampende paardjes ervoor, de appelschimmel en een bruin lopertje. Heb ik verteld dat het een lange winter was? Alles lag nog wit, maar het zonnetje scheen helder. Achteraan zat Antje, warm ingeduffeld en de glanzende sneeuw weerspiegelde in haar klare oogjes; naast haar de dikke tante Amelie, die nooit veel van zeggen was. Op de bok Antjes vader en Sander de koetsier. Dat was me een vrolijke rit. Tegen de schuine voorplank hing een dik, wit kussen sneeuw, die de paardjes er met hun achterpoten tegen opwierpen, stapvoets bergop, in een drafje bergaf.

Zo kwamen ze aan de Tronkenman en de grote mensen zwegen alle drie. Maar daar waadden twee mannen door de sneeuw, overgrootvader en nog een andere kleinere, die droegen elk een hoge bussel hooi op hun rug, zo een beetje lijk Sint Niklaas en Zwarte Piet. Ho! De slee hield stil en overgrootvader riep: ” Wie we daar hebben! Bravo, Antje is terug! Wel, wel, kindje! Je neusje is nog wat rood!” “Ja,” zei Antje, “maar dat doet geen zeer hoor; ook mijn vingers en teentjes hebben een nieuw vel; die waren bijkans vervroren, maar waarom legt die man dat hooi tegen die boom?” –

“Voor de reeën,” zei overgrootvader, met een zachte blik op het kind, “zodat ze in deze strenge winter niet van honger sterven. Die komen hier in de dag … en ook wel ’s nachts dat hooi opeten.” . 

“Oh!” riep Antje, “dat zou ik wel eens willen zien!” Jullie mogen mij best geloven, ze wist er niemendal van, dat ze op Kerstnacht dààr geweest was en dubbel in doodsgevaar verkeerde. Overgrootvader schudde langzaam zijn hoofd, streelde over haar kapje en zegde tot haar vader: “Een geluk, dat ge ze nog hebt.” – “Dat zegt u wel, mijnheer,” antwoordde Pierejan; zijn stem was hees, hij keek opzij en wreef over zijn ogen. “Een koude wind, niet?” Er blies helemaal geen wind, maar hij was verlegen omdat hij moest wenen, van geluk, om zijn kind.

Ze hadden aan Antje wel gezegd, dat grotemoe overleden was, naar de hemel gegaan; toch kwam er een schaduw over haar gezichtje, toen ze voorbij het leeg huisje reden met de vensterblinden dicht. Maar de anderen schenen dit niet te merken en tant Amelie vond het nodig Antje nog eens goed in te duffelen. Weldra draaiden ze de dreef van het kasteel binnen en vlak achter de traliepoort woonde tant Amelie; die hief Antje uit de slee, gaf haar een kusje: “En nu blijf je hier bij ons wonen.” – “En vadertje?” “Die ook,” zei tant Amelie.

Als ze binnen was en haar wantjes en manteltje uit had en een kopje warme melk gedronken, wat goed is tegen vervroren teentjes, oh! dan zag Antje de geschenken van de freule die gereed lagen bij ’t venster, een hoekje vol. De freule was al een tijd terug naar het vreemde land, waar de zon bijna altijd scheen op de wijnbergen, de olijfbomen en ganse velden vol zonnebloemen, schoon om te schilderen. Daar lag nu vooreerst een prachtig sprookjesboek, zó groot, waaruit de anderen voor haar konden lezen, in afwachting dat ze het zelf geleerd had.

Maar mooie platen die daarin stonden! En zie, van voren had de freule er zelf een tekening bijgeschilderd, ja die kon dat: de boom Tronkenman, en daar zat een meisje tegen in een bruine jas. “Wie is dat,” vroeg haar vadertje. “Dat ben ik,” juichte Antje, “ik zie het aan de rode wantjes! En Jantje Maan! En die reetjes!” Haar vadertje keek over haar hoofdje heen, oplettend naar die schone tekening met al die besneeuwde bomen van het bos, zover je zien kon; maar een man met een geweer had de freule er niet bijgetekend

– En de andere geschenken? willen jullie weten. Een Hollandse pop in een doos, met slaapogen, en wantjes, je weet al welke. En ook dingen om op te eten, hoor, Dirk, lekkerbek. Appelsienen, spekuloosventen en alles, en een marsepeinen varken met een lange snuit…